Het zwaare Regt of Justitie

Title

Het zwaare Regt of Justitie

Subtitle

dat is gedaan aan een Manspersoon, genaamd Jan Vink, oud omtrent 30 Jaaren, geboortig van Doeveren, wegens het moorddadig vermoorden van zyn zwangere Vrouw, die bevrugt was van twee Kinderen, door duivels ingeeving en opstooke

Synopsis

Jan Vink murders wife in Dover

Digital Object

Image notice

Full size images of all song sheets available at the bottom of this page.

Image / Audio Credit

Pamphlet: Den Haag KB: 5 C 33

Set to tune of...

ô Holland schoon.

Transcription

1.
Ei ziet wat is de boosheid groot,
Door Zatans list bedreven,
Het brengt zoo meenig mensch in nood,
Wie zou daer niet voor beeven,
Het is tot Doeveren geschied,
Zoo als ik melden zal in mijn Lied,
Het is waerdig te betreuren,
Zoo als men zag gebeuren.

2.
Het is een ysselyke maer,
Word ons nu weer beschreeven,
Daer is in meenig duizend jaer,
Geen wreeder stuk bedreven,
Zoo als ik melden zal in mijn Lied,
Het is in 't kort thans weer geschied,
Wie hoord zijn hart dat treuret,
Van rouw in stukken scheuret.

3.
Tot Doeveren in Engeland,
Woonde een ryke Kuiper,
Hy was begaeft met goed verstand,
Geen drinker nog geen zuiper;
Hy had een deugdzaem schoone Vrouw,
Van God verkreegen door den trouw,
En leefde met verblyden,
Waer dagte op geen lyden.

4.
Eilaes dit duurde een korten tijd,
Want de Zatan vol listen,
En vol van zwarte haet en nijd,
Het doet haer loen betwisten,
En misgunt dit jonge paer,
Haere vreugde by te gaer,
Het welk hun bragt in treuren,
Zoo als men zag gebeuren.

5.
Zijn Moeder woonde by hem t'huis,
Hoord wat zy gaet beginnen,
En dat door duivels hels gespuis,
Dat bragt zy hem te binnen,
En zy sprak mijn Zoon ach ach,
Ik u wel beklagen mag,
Het uur al van u trouwen,
Want het zal u berouwen.

6.
Dit woord sprak zy berscheide mael,
Altijd met zware zugten,
En ook met een bedroefde tael,
Dit maekte groot gerugte,
Dan op het laetst de Zoon met blijt,
Dan tot zyne Moeder zijt,
Waerom gaet gy zoo schreyen?
Of heb ik u doen lyen.

7.
Zy sprak eilaes mijn waerde Kind,
Ik mag met regt wel zeggen,
Dat gy zijt zoo ziende blind,
Ik zal het uw uitleggen:
Gy hebt nu een schoone Vrouw,
Maer ik vrees dat u dit trouw,
In kort zal doen beklagen,
En wel in korte dagen.

8.
Hy sprak ach waerde Moeder mijn
Wat zijn hier van de reden,
Of wat mag de oorzaek zijn,
Ik hou mijn met haer te vreden,
Ik heb een deugdzame Vrouw,
En zy is my ook getrouw,
Zy sprak mijn waerde Kinde,
Wat laet gy u tog verblinde.

9.
De eer en lof die gy haer geeft
Die komt zy te misbruiken,
Want zy zeer slechtelijk ook leeft,
Ik zal u overtuigen:
Want ziet zy is een ligte dant,
En ook een schandvlek voor ons Land,
Zy is een snoode Hoere,
Die u zal doen vervoere.

10.
Dit viel hem als een steen op 't hert,
Dat doet zijn zinnen doolen,
En ook in zijn verstand verwert,
Dat het bleef ook niet verhoolen,
Want den Zatan vol listigheid,
Hier thans ook zijne netten sprijd,
Hem in zijn herssens spoorde,
Het geen hem zoo behoorde.

11.
Door Duivels list op eene nagt,
Als ieder in zijn ruste,
En ook thans te bedde lag,
Greep hy de bijl met luste,
Hy sprak tot zyne Vrouw ô schand,
ô Hoer gy moet nu eerst van kant,
Hy als een wreed barbare,
Greep haer toen by de haere.

12.
Kapt met de bijl haer in het hoofd,
Het bloed liep op de aerde,
En de hersens doorgeklooft,
Zy riep mijn God vol waerde,
En haer hoofd arme en been,
Hakt by tot stukken zoo van een,
Terwijl hy was alleene,
Wie zou dat niet beweene.

13.
Hy sneed haer verder op 't Lighaem,
Want ziet zy was hoog zwanger,
Dat deed dees duivelschen tyran,
Hy was daerom niet banger:
Twee Kinderen van eene dragt,
Hy alzoo in hun bloed versmagt,
Hoord wat hy toen bedagte,
Een Vat maekte hy met kragte.

14.
Kuipte het Vlees toen in dat Vat,
Hy zette het in een Boote,
En hy voer toen uit de stad,
God heeft het zeer verdrooten:
En smeed haer toen in de Zee,
En hy kwam weer op de ree,
En hy was bly van wezen,
Ik heb nu niet te vreezen.

15.
Zoo gau den bloed kwam in de Zee,
Kwam dat Lighaem aendryven,
Tot Doeveren al op de ree,
Maer kwam het toen opstygen:
En het Vat wierd opgevist,
Maer niemand die 'er iets van wist,
Die of dat Vat had verlooren,
Zoo als gy hier zult hooren.

16.
Waer op dit Vat is open gedaen,
Een ieder stond verslagen,
En riepen ô God wilt ons bystaen,
Daer ging men 't doen aenklagen:
Aenziet hier een wreede moord,
Nooit desgelijk thans meer gehoord,
Waerop men heeft gaen klagen,
Een ieder stond verslagen.

17.
Men ging na de Edele Magistraet,
Die aenstonds zijn gekomen,
Bezagen deze gruweldaed,
Veel menschen zijn gekomen,
De Moordenaer vol angst bedugt,
Die nam op heter daed de vlugt,
De Heeren met gestrangen,
Die namen hem gevangen.

18.
Hy wierd vervolgt en gevat,
Geketend en geboeiend,
En gebragt al na de Stad,
Waer hy zijn fout verfoeide,
Hy zag bedroeft den Hemel aen,
Hy riep wat heb ik tog gedaen,
Wat kwaed heb ik bedreeven,
Mijn Vrouw gebragt om 't leeven.

19.
Zoo ras zijn moeder had verstaen,
Dat haer Zoon was in handen,
Toen heeft zy ook van stonden aen,
Al met haer eigen handen,
Genomen een mes ô wat smert!
En zoo gestoken in haer hert,
Dat zy viel dood ter aerde,
De duivel hem niet spaerde.

20.
Sijn Sententie wierd opgemaekt,
Hy moest gerabraekt wezen,
En met een Bijl in 't Hoofd gehakt,
Dat wierd hem voorgelezen;
Mijn valsche Moeder ó groote God;
Is d' oorzaek van mijn droevig lot,
Die my zoo bragt in 't lyden,
En alle Menschen schryden.

21.
Men zag hem treurig op 't Schavot,
En levendig rabraken,
Hy riep al weenende tot God,
Ach wilt my niet verlaten:
Hy was geduldig als een Lam,
Dat zoo maer tot de slagtbank kwam:
Een ieder was bewogen,
Met tranen in de oogen.

22.
En verder op het Galgenveld.
De stukken en de brokken,
Op het rad ten toon gesteld,
Om daer thans te verrotten,
En zijn Moeder naest zijn zy,
Voor alle haer opstokery,
Ach hoe komt een Mensch in lyen,
Het is om te beschreyen. 

Hey, see how great evil is,
Done by Satan’s deception,
It brings many a people into trouble,
Who would not tremble for it,
It happened in Dover,
As I will state in my song,
It is truly regrettable,
What people saw happening. 


It is horrible matter,
Which is again described to us,
In many thousand years,
No crueller piece was acted,
As I will state in my song,
It happened now again a short time ago,
Whoever hears it, his heart mourns,
Of grief, ripped to pieces.
 

In Dover in England,
Lived a rich cooper,
He was gifted with good sense,
No drinker, and no drunkard;
He had a virtuous, beautiful wife,
Acquired through matrimony from God,
And lived happily,
With no thoughts of suffering.
 

Alas, this lasted a short time,
Because Satan full of deceit,
And full of black hate and envy
It challenged her mean streak,
And begrudged this young pair,
Her joy both was overdone,
Which brought them into sadness,
As people saw it happen.
 

His mother lived at home with him,
Hear what she starts,
And that by the devil’s hellish spewing,
She brought it into his mind,
And she spoke, my son, oh, oh,
I may pity you
The hour of your marriage.
Because it will make you repent.
 

These words she spoke several times,
Always with heavy sighs,
And also with a saddened language,
This made a great rumour,
That at last the son with happiness,
Then said to his mother,
Why are you crying like this?
Or have I made you suffer.
 

She spoke, alas my worthy child,
I may rightly say,
That you are so seeing blind,
I will explain it to you:
You now have a beautiful wife,
But I fear that you will soon commiserate
this marriage,
And that soon.

 
He spoke, oh worthy mother of mine
What are the reasons for this,
Or what may be the cause,
I keep myself happy with her,
I have a virtuous wife,
And she is loyal to me too,
She spoke, my worthy child,
How you allow yourself to be blinded.

 
The honour and praise you give to her,
She misuses them,
Because she lives very badly,
I will convince you:
Because see, she is a light, riotous youngster,
And also a disgrace for our land,
She is an evil whore,
Who will move you.

 
This fell on him like a stone upon the heart,
It made his senses ramble,
And it also confused his mind,
That it did not remain hidden,
Because the Satan, full of deceit,
Also spread his nets here,
Urged him in his brain,
That which befitted him.

 
Because of the devil’s deceit, one night,
When everyone rested,
And also lay in bed,
He heartily grabbed the axe,
He spoke to his wife, Oh shame,
Oh whore, you must now die first,
He, like a cruel barbarian,
Grabbed her then by the hair.

 
Hacks into her head with the axe,
The blood ran upon the earth,
And the brains cleaved through,
She called, my God full of worth,
And her head, arm and leg,
He hacked into pieces of one,
Whilst he was alone,
Who would not weep for that.

 
He further cut upon her body,
Because see she was heavily pregnant,
This the devil’s tyrant did,
He was for this reason not more afraid:
Two children of one pregnancy,
He languished in their blood too,
Hear what then he thought of,
He made a barrel with force.

 
Cooped the meat then in that barrel,
He put it in a boat,
And he took it out of the city,
God was very saddened by it:
And threw her then into the sea,
And he came again upon the []
And he was a happy being,
I have nothing to fear now.

 
As soon as the blood came into the sea,
That body came drifting
To Dover []
But then it ascended:
And the barrel was fished up,
But no one who knew anything about it,
Who had lost a barrel,
As you will hear here.

 
Whereupon this barrel was opened,
And all stood defeated,
And called, oh God, support us,
Then they went to announce it:
See here a cruel murder,
Never heard of something similar now,
Whereupon people went to complain,
And everyone stood defeated.

 
They went to the noble magistrate,
Who instantly came,
Viewed this horror-deed,
Many people have come,
The murderer, full of fear, afraid,
He immediately fled,
The Lords with force,
They took him prisoner.

 
He was chased and caught,
Chained and handcuffed,
And brought to the city,
Where he would abhor his fault,
He looked, saddened up to Heaven,
He called, what have I done,
What evil have I committed,
Killed my wife.

 
As soon as his mother heard,
That her son was captured,
Then she also instantly,
Took with her own hands,
A knife, oh what pain!
And so stabbed into her heart,
That she fell dead to earth,
The devil did not spare him.

 
His verdict was made,
He had to be broken on the wheel,
And hacked into his head with an axe,
This was read to him;
My fals mother, oh great God;
Is the cause of my sad fate,
Which brought me so into suffering,
And all people cried.

 
People saw him sadly upon the scaffold,
And broken on the wheel alive,
He called, crying, to God,
Oh will you not leave me:
He was patient like a lamb,
Which came to the slaughterhouse:
And everyone was moved,
With tears in their eyes.

 
And further upon the gallows field.
The bits and the pieces,
Displayed upon the wheel,
To there rot now,And his mother by his side,
For all her inciting,
Oh how a humand comes to suffer,
It is to cry about.

Translation by Rena Bood
 

Crime(s)

murder

Gender

Date

Files

het zwaare regt of justitie 47.pdf
het zwaare regt of justitie 48.pdf
het zwaare regt of justitie 49.pdf
het zwaare regt of justitie 50.pdf
het zwaare regt of justitie 51.pdf
het zwaare regt of justitie 52.pdf
het zwaare regt of justitie 53.pdf

Tags

Citation

“Het zwaare Regt of Justitie,” Execution Ballads, accessed August 15, 2022, https://omeka.cloud.unimelb.edu.au/execution-ballads/items/show/1235.

Output Formats